Wie zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag of kindgebonden budget aanvraagt, ontvangt die toeslag niet pas achteraf, maar het hele toeslagjaar door: elke maand een voorschot op de eigen rekening, gebaseerd op een schatting van het inkomen en de omstandigheden voor dat jaar. Die schatting maakt de aanvrager zelf, meestal bij het aanvragen of bij de jaarwisseling.
Een voorschot is per definitie een schatting, en schattingen kunnen achteraf te hoog of te laag blijken. Verandert het inkomen, de relatie, het aantal opvanguren of de huur tijdens het jaar, dan verandert daarmee ook het bedrag waar iemand eigenlijk recht op heeft. Wie zo'n wijziging doorgeeft in Mijn Toeslagen, laat de Belastingdienst het voorschot binnen het jaar bijstellen, in plaats van in één keer achteraf.
Na afloop van het toeslagjaar volgt de definitieve berekening: pas dan wordt het voorschot vergeleken met wat iemand op basis van het werkelijke inkomen daadwerkelijk toekwam. Was het voorschot te hoog, dan volgt een terugvordering; was het te laag, dan volgt een nabetaling.
Bij huurtoeslag rekent het voorschot met je huur en met het verwachte inkomen van jou, je toeslagpartner en de medebewoners die op je adres staan ingeschreven. Verandert je huur, je inkomen of wie er bij je woont, dan geef je dat door, zodat het voorschot meebeweegt.
Moet je na de definitieve berekening per toeslag €121 of minder terugbetalen, dan hoeft dat niet. Dat geldt voor de definitieve berekeningen die in 2026 komen, over het toeslagjaar 2025. Wat er gebeurt als je iets meer gaat verdienen, staat in het artikel "Een euro te veel verdiend, en dan alles terugbetalen?".